ECLI:NL:CRVB:2005:AT9988
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder en werd geconfronteerd met een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 juli 2001. Dit omdat zij niet had gemeld dat het salaris van haar ex-echtgenoot op de bankrekening van haar minderjarige zoon werd gestort.
De rechtbank had reeds geoordeeld dat het tegoed op de rekening van de zoon als vermogen van appellante moest worden beschouwd en dat zij haar inlichtingenverplichting had geschonden. Appellante voerde aan niet op de hoogte te zijn geweest van deze stortingen en dat zij daarover niet redelijkerwijs kon beschikken.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en stelt dat appellante als ouder geacht moet worden op de hoogte te zijn geweest van de tegoeden. De verklaring van de ex-echtgenoot dat hij het geld zelf heeft afgehaald, wordt niet gevolgd vanwege gebrek aan bewijs en zijn onderhoudsplicht.
De Raad concludeert dat appellante ten onrechte bijstand heeft ontvangen en dat de intrekking en terugvordering terecht zijn. Er zijn geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet melden van inkomsten op de bankrekening van de minderjarige zoon.