ECLI:NL:CRVB:2005:AU0202
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- O.J.D.M.L. Jansen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over arbeidsongeschiktheid en toekenning WAO-uitkering
Appellant was werkzaam als relatiebeheerder en stopte in 1998 vanwege vermoeidheidsklachten. Hij kreeg aanvankelijk een volledige WAO-uitkering toegekend, maar deze werd in 1999 ingetrokken op basis van medisch advies dat geen objectieve ziekte of gebrek kon vaststellen. Appellant voerde aan dat hij leed aan ME/CVS of een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, wat beperkingen in arbeid veroorzaakte.
De rechtbank had het bezwaar van appellant tegen de intrekking ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank de zaak buiten zitting had afgedaan zonder opnieuw toestemming te vragen na toevoeging van nieuwe gedingstukken, wat in strijd is met artikel 8:57 Awb Pro. Daarom werd de uitspraak vernietigd.
Daarnaast oordeelde de Raad dat het medisch oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde onafhankelijke psychiater, die beperkingen als gevolg van ziekte vaststelde, gevolgd moest worden. De eerdere conclusie van het UWV dat appellant geschikt was voor werk kon niet worden gehandhaafd. De Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit van 12 maart 2001 en bepaalde dat het UWV een nieuwe beslissing moet nemen.
Tot slot veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV dient een nieuwe beslissing te nemen.