ECLI:NL:CRVB:2010:BN6389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- T. Hoogenboom
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op verzoek
Appellant, voormalig werknemer bij het Ministerie van Justitie, vroeg een WW-uitkering aan die per 4 oktober 2007 werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, omdat hij ontslag had genomen terwijl redelijkerwijs van hem verwacht kon worden te blijven werken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak omdat de rechtbank het onderzoek ter zitting had gesloten zonder opnieuw toestemming te vragen na ontvangst van nieuwe stukken, wat in strijd is met artikel 8:57 Awb Pro.
De Raad oordeelde dat het ontslag op verzoek van appellant was verleend en dat er geen aannemelijk verband was met een reorganisatie of een terugkeergarantie. De werkloosheid werd daarom als verwijtbaar beschouwd en het beroep werd ongegrond verklaard. Tevens werd het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard en het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.