ECLI:NL:CRVB:2005:AU0571

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/314 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatie-inspanningen buiten eigen vakgebied

Appellant kreeg een maatregel opgelegd in de vorm van een korting van 30% op zijn WW-uitkering gedurende 16 weken, omdat hij in de periode van 10 juni 2002 tot en met 7 juli 2002 onvoldoende had getracht passende arbeid te verkrijgen. De rechtbank had het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard.

In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet onvoldoende had gesolliciteerd en dat gedaagde niet had aangetoond dat sollicitaties naar lager gekwalificeerde functies een reële kans op passende arbeid boden. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat appellant zich, gezien de duur van zijn werkloosheid, breder had moeten opstellen en ook buiten zijn vakgebied en op een lager niveau had moeten solliciteren.

Ondanks herhaalde waarschuwingen bleef appellant zich richten op zijn eigen vakgebied en niveau. Zijn overige activiteiten bestonden vooral uit gesprekken met bemiddelingsbureaus waar hij al stond ingeschreven en gesprekken met wethouders, gemeenteraadsleden en directies van accountantsbureaus. De Raad vond dat appellant de verplichting uit artikel 24, eerste lid, WW had geschonden en dat de maatregel terecht was opgelegd. Er waren geen dringende redenen om af te zien van de maatregel of aanwijzingen voor verminderde verwijtbaarheid.

Uitkomst: De korting van 30% op de WW-uitkering gedurende 16 weken wordt bevestigd wegens onvoldoende brede sollicitatie-inspanningen.

Uitspraak

04/314 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. D.P. van der Veer, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. te Apeldoorn, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Utrecht op 3 december 2003,
nr. SBR 02/2640, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 15 juni 2005, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van
mr. Van der Veer voornoemd, en waar gedaagde met voorafgaand bericht niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
De feiten, welke in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
Bij besluit van 23 juli 2002 heeft gedaagde aan appellant een maatregel opgelegd in de vorm van een korting van zijn uitkering van 30% gedurende 16 weken omdat hij in de periode van 10 juni 2002 tot en met 7 juli 2002 voor de derde maal in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van
29 oktober 2002 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 29 oktober 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat niet gesteld kan worden dat hij in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen en dat gedaagde niet heeft aangetoond dat hij, door te solliciteren naar lager gekwalificeerde functies, een meer dan hypothetische kans zou hebben gehad om passende arbeid te verkrijgen, daarbij verwijzend naar uitspraken van deze Raad, gepubliceerd in RSV 1998/268, RSV 2001/181 en RSV 2002/23.
Gedaagde heeft zijn eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.
Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Gelet op de duur van de werkloosheid van appellant mocht gedaagde van appellant verlangen dat hij zich, teneinde niet nog langer werkloos te blijven, breder op de arbeidsmarkt zou opstellen en ook zou uitzien naar functies buiten de accountancybranche.
Blijkens de gedingstukken heeft gedaagde appellant er bij herhaling op gewezen dat niet zozeer het aantal sollicitatie- activiteiten onvoldoende was, maar dat appellant zich breder diende op te stellen en zijn sollicitatieactiviteiten ook diende te richten buiten zijn eigen vakgebied en op een lager niveau. Appellant is zich, zoals hij ook ter zitting van de Raad heeft verklaard, in de in dit geding aan de orde zijnde periode van 10 juni 2002 tot 7 juli 2002 evenwel -ook na de herhaalde waarschuwingen van gedaagde- blijven richten op zijn eigen vakgebied en op zijn eigen niveau, terwijl zijn overige activiteiten, voor zover deze al als concrete sollicitatieactiviteiten zijn aan te merken, beperkt zijn gebleven tot gesprekken met bemiddelingsbureaus waar hij reeds stond ingeschreven en tot gesprekken met wethouders en gemeenteraadsleden van enkele gemeenten en met besturen en directies van grote accountantsbureaus.
Met de rechtbank en gedaagde is de Raad, gelet op de voorhanden zijnde gegevens, ook van oordeel dat appellant de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste van de WW neergelegde verplichting wederom heeft geschonden en dat gedaagde in verband daarmee gehouden was de desbetreffende maatregel op te leggen. Van verminderde verwijtbaarheid is de Raad niet gebleken, mede gelet op het feit dat appellant diverse malen is voorgehouden dat hij zich breder diende op te stellen. Van dringende redenen die nopen tot het afzien van het opleggen van een maatregel is de Raad niet gebleken.
Het beroep van appellant op de hiervoor vermelde uitspraken van de Raad kan niet slagen nu deze betrekking hebben op de verplichting tenminste één sollicitatie per week te verrichten en op de vraag of er voldoende arbeid, berekend naar de krachten en bekwaamheden van betrokkene, voorhanden was, terwijl het onderhavige geding zich beperkt tot de eis van een bredere opstelling van appellant bij zijn sollicitatieactiviteiten.
Het bestreden besluit kan derhalve in stand blijven en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. C.P.J. Goorden en mr. R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2005.
(get.) H. Bolt.
(get.) L. Karssenberg.