ECLI:NL:CRVB:2005:AU2413
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding bij nabestaandenuitkering op grond van de Anw
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een vermoeden van samenwoning met haar huisgenoot heeft de Sociale verzekeringsbank een onderzoek ingesteld. Dit leidde tot een herzieningsbesluit waarbij werd vastgesteld dat appellante en haar huisgenoot een gezamenlijke huishouding voerden op 1 juli 1996 en 31 december 1997.
De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding of een commerciële kostgangersrelatie. De Raad beoordeelde dit aan de hand van de wettelijke criteria, waaronder het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning en het leveren van wederzijdse verzorging, die zich onder meer uit financiële verstrengeling kan blijken.
De Raad concludeerde dat appellante en haar huisgenoot voldeden aan het criterium van wederzijdse verzorging en dat er geen sprake was van een kostgangersrelatie. Op grond hiervan was het herzieningsbesluit terecht en diende het recht op nabestaandenuitkering met ingang van 1 januari 1998 te worden herzien. Het verzoek van appellante tot schadevergoeding werd afgewezen en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het herzieningsbesluit tot intrekking van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.