ECLI:NL:CRVB:2005:AU3195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- H.J. de Mooij
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toerekening letselschadevergoeding aan inkomen bij bijstandsverlening
Appellante raakte arbeidsongeschikt door een verkeersongeval in 1995 en ontving een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en later bijstand volgens de Algemene bijstandswet (Abw). Na ontvangst van een letselschadevergoeding van de aansprakelijke verzekeraar, waarbij een deel was bestemd als compensatie voor verlies aan arbeidsvermogen, beëindigde de gemeente Beverwijk haar bijstandsuitkering op grond van vermeend overschrijden van het vrij te laten vermogen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij zij de door de gemeente gevolgde verdeling van de letselschadevergoeding volgde. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep echter dat het bedrag dat is uitgekeerd als compensatie voor verlies aan arbeidsvermogen niet als vermogen, maar als inkomen moet worden beschouwd, omdat het een gekapitaliseerde vergoeding betreft die overeenkomt met periodieke inkomsten voor levensonderhoud.
De Raad stelt dat deze vergoeding moet worden toegerekend aan de periode vanaf het ongeval in 1995 tot het 60e levensjaar van appellante, en dat de gemeente ten onrechte het bedrag geheel aan het moment van beschikking in 2002 heeft toegerekend. Hierdoor berust de beëindiging van de bijstand op een onjuiste grondslag en dient een nieuw besluit te worden genomen met inachtneming van deze toerekening.
De Raad veroordeelt de gemeente tevens in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Hiermee wordt de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de bijstand wordt vernietigd omdat de letselschadevergoeding als inkomen moet worden aangemerkt en correct moet worden toegerekend.