ECLI:NL:CRVB:2005:AU3922
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering directeur-grootaandeelhouder wegens aantoonbare loonwaarde en indirecte verrijking
Gedaagde, directeur en enig aandeelhouder van een campingbedrijf, ontvangt sinds 1987 een WAO-uitkering. Na een onderzoek naar zijn werkzaamheden en inkomsten, besloot het UWV de WAO-uitkering in 2001 in te trekken omdat gedaagde met zijn directiewerkzaamheden ongeveer zijn maatmaninkomen kon verdienen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van gedaagde gegrond wegens onvoldoende motivering van het UWV, met name over de toepassing van artikel 44 WAO Pro en het maatmanloon. In hoger beroep heeft het UWV toegelicht dat gedaagde indirect is verrijkt via opnames uit zijn rekening-courant en dat zijn arbeid van economische betekenis en aantoonbare loonwaarde is.
De Raad concludeert dat gedaagde als directeur feitelijk fulltime werkzaam is, ondanks dat hij slechts tien uur per week directietaken verricht, en dat de managementvergoeding en rekening-courant opnames wijzen op indirecte verrijking. De Raad onderschrijft het standpunt dat een passende beloning op zijn maatmaninkomen kan worden gesteld en dat het UWV terecht direct overging tot het vaststellen van arbeidsongeschiktheid op basis van deze inkomsten.
De Centrale Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van gedaagde ongegrond, waarmee de intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van gedaagde wordt bevestigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.