ECLI:NL:CRVB:2005:AU3933
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering zonder dringende reden
Appellant meldde zich ziek met benauwdheids- en spanningsklachten en ontving een Ziektewet-uitkering vanaf 2 april 2001. Na een hersteldmelding per 1 juni 2001 keerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) onterecht ziekengeld uit over de periode 1 juni tot en met 23 november 2001. Dit bedrag van €7.701,92 werd teruggevorderd.
Appellant voerde aan dat hij door misleidende informatie van een medewerker van het Uwv niet op de hoogte was van de onterechte betaling en dat de terugvordering hem in ernstige financiële problemen bracht. De Raad overwoog dat fouten van het uitvoeringsorgaan geen dringende reden vormen om terugvordering te matigen of achterwege te laten. Ook werd geen schriftelijke, ondubbelzinnige mededeling vastgesteld die het rechtszekerheidsbeginsel zou schenden.
De Raad bevestigde dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat hij vanaf 1 juni 2001 geen recht meer had op ziekengeld en dat het terugvorderen van het bedrag wettelijk verplicht is. De maandelijkse aflossing werd vastgesteld rekening houdend met de beslagvrije voet. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigd betaalde Ziektewet-uitkering wordt bevestigd zonder matiging wegens ontbreken van dringende redenen.