ECLI:NL:CRVB:2015:1291
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beslissing over ongewijzigde WAO-uitkering ondanks WW-uitkering
Appellant, sinds 1998 arbeidsongeschikt en met een WAO-uitkering, trad in oktober 2011 in dienst bij een werkgever voor 28 uur per week. Na beëindiging van dit dienstverband in juni 2012 vroeg hij een WW-uitkering aan. Het UWV verlaagde daarop zijn WAO-uitkering vanaf 1 januari 2012 op basis van een lagere fictieve arbeidsongeschiktheidsklasse, waarbij vanaf 1 juli 2012 de korting werd voortgezet omdat appellant een WW-uitkering ontving.
Appellant maakte bezwaar tegen deze verlaging en stelde dat zijn WAO-uitkering vanaf 1 juli 2012 naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse moest worden uitbetaald, gelijk aan juni 2012. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht uitging van het gemiddelde inkomen over de drie maanden voorafgaand aan de werkloosheid.
In hoger beroep stelde appellant dat het UWV onjuiste inkomensgegevens gebruikte en dat de vakantieperiode niet tot rechtsonzekerheid mocht leiden. De Raad oordeelde dat appellant vanaf 25 juni 2012 recht had op WW-uitkering, ook tijdens vakantie, en dat de WW-uitkering gelijkgesteld wordt aan het laatstgenoten inkomen. De toepassing van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid was correct, waardoor de WAO-uitkering ongewijzigd bleef. Het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering ongewijzigd blijft ondanks de WW-uitkering.