ECLI:NL:CRVB:2005:AU4073
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens eigen toedoen bij werkhervatting
Appellant was werkzaam als chauffeur/coördinator bij zijn werkgever op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, waarvan de laatste liep tot 31 mei 2003. Na een ziekmelding en advies van de bedrijfsarts om een time-out te nemen, werd een afspraak gemaakt voor werkhervatting op 30 april 2003. Appellant verscheen echter niet op het werk, omdat hij vond dat eerst een gesprek met de werkgever moest plaatsvinden.
De werkgever zag dit als werkweigering en besloot het contract niet te verlengen per 1 juni 2003. Gedaagde weigerde daarop een WW-uitkering toe te kennen op grond van artikel 24 WW Pro, omdat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid had behouden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant verplicht was op 30 april te hervatten.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en voegt toe dat appellant desgewenst verduidelijking had kunnen vragen aan de bedrijfsarts, maar dit niet deed. Zijn ongenoegen uitte hij alleen bij de werkgever en zijn broer, zonder reactie af te wachten. De Raad concludeert dat de werkloosheid overwegend aan appellant te wijten is en bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering omdat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden.