ECLI:NL:CRVB:2005:AU4335
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- J.C.F. Talman
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum werkloosheidsuitkering en bovenwettelijke uitkering bij beëindiging dienstverband
Appellant was directeur van een basisschool en zijn arbeidsovereenkomst werd op verzoek van de werkgever ontbonden met ingang van 1 oktober 2002, zonder vergoeding. Gedaagde 1 stelde dat de eerste werkloosheidsdag pas op 1 november 2002 lag, omdat de bovenwettelijke uitkering gelijkgesteld moest worden met inkomsten in verband met beëindiging van de dienstbetrekking en rekening moest worden gehouden met de opzegtermijn.
De rechtbank oordeelde dat de bovenwettelijke uitkering als inkomsten in verband met beëindiging van de dienstbetrekking moest worden gezien, waardoor de ingangsdatum van de WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering op 1 november 2002 werd vastgesteld. Appellant maakte hiertegen bezwaar en stelde dat de bovenwettelijke uitkering afhankelijk is van werkloosheid en niet van het einde van de dienstbetrekking.
De Raad overwoog dat de bovenwettelijke uitkering niet kan worden aangemerkt als inkomsten in verband met beëindiging van de dienstbetrekking, omdat deze sterk verbonden is met het werkloosheidsbegrip uit de WW. Daarom is de eerste werkloosheidsdag 1 oktober 2002, de datum van ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De bestreden besluiten en uitspraak werden vernietigd en gedaagden werden opgedragen een nieuw besluit te nemen.
Uitkomst: De eerste werkloosheidsdag en de ingangsdatum van de WW- en bovenwettelijke uitkering zijn vastgesteld op 1 oktober 2002.