ECLI:NL:CRVB:2005:AU5180
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- J.C.F. Talman
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Ingangsdatum WW- en Bbwo-uitkering na ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellant was sinds 1971 werkzaam als docent en kreeg bij beschikking van de kantonrechter op 12 juli 2002 ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2002 en een ontbindingsvergoeding van €6000,-- toegekend. Gedaagden stelden de ingangsdatum van de WW- en Bbwo-uitkering op 1 oktober 2002, omdat zij de ontbindingsvergoeding en de Bbwo-uitkering als inkomsten in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking gelijkstelden aan loon gedurende de fictieve opzegtermijn.
Appellant betwistte deze gelijkstelling en stelde dat de werkloosheidsuitkering al per 1 september 2002 zou moeten ingaan, omdat de ontbindingsvergoeding slechts een deel van de fictieve opzegtermijn dekt en de Bbwo-uitkering niet als loon in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking kan worden aangemerkt. De rechtbank volgde gedaagden en verklaarde de beroepen ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de rechtbank onjuist heeft geoordeeld. De ontbindingsvergoeding moet worden toegerekend aan de periode direct volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding, en de Bbwo-uitkering is afhankelijk van werkloosheid en niet van het einde van de dienstbetrekking. Daarom is de Bbwo-uitkering niet gelijk te stellen aan loon in verband met beëindiging van de dienstbetrekking.
De Raad vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat de WW- en Bbwo-uitkering per 1 september 2002 ingaan. Gedaagden worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens worden de proceskosten verdeeld tussen gedaagden.
Uitkomst: De ingangsdatum van de WW- en Bbwo-uitkering wordt vastgesteld op 1 september 2002 in plaats van 1 oktober 2002.