ECLI:NL:CRVB:2005:AU5156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling referte-eis WW bij gedeeltelijk opvolgende dienstbetrekkingen
Gedaagde was tot 9 september 2002 fulltime werkzaam bij een B.V. waarna hij zijn dienstverband omzette naar 20 uur per week om bij een school te gaan werken. Dit dienstverband bij de school eindigde op 1 februari 2003. Gedaagde vroeg een WW-uitkering aan, maar deze werd geweigerd omdat hij niet voldeed aan de referte-eis van 26 gewerkte weken in de 39 weken voorafgaand aan werkloosheid.
De rechtbank vernietigde het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en oordeelde dat de weken bij de B.V. meegeteld mochten worden omdat de dienstbetrekking bij de school gedeeltelijk in de plaats was gekomen van die bij de B.V. Het UWV ging hiertegen in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde dat artikel 17a, tweede lid, WW bepaalt dat alleen weken van de dienstbetrekking waaruit werkloosheid voortvloeit en dienstbetrekkingen die in de plaats daarvan zijn gekomen meetellen. Omdat de schoolbetrekking gedeeltelijk de B.V.-betrekking verving, mogen de weken bij de B.V. worden meegeteld. Het beroep van het UWV op het Besluit opvolgende dienstbetrekkingen en eerdere jurisprudentie werd verworpen.
De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten en bepaalde dat griffierecht geheven wordt. Het geschil draaide om de uitleg van de referte-eis en de toepassing van opvolgende dienstbetrekkingen in de WW.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de weken bij de eerdere dienstbetrekking meetellen voor de referte-eis WW omdat de latere betrekking gedeeltelijk in de plaats is gekomen van de eerdere.