ECLI:NL:CRVB:2005:AU5457
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Onterecht afgewezen WW-uitkering wegens vermeende niet-beschikbaarheid door ziekte
Appellant was sinds 1 januari 2001 in vaste dienst bij Swartberg levensmiddelenfabrieken en meldde zich ziek per 9 oktober 2001. Vanaf 26 februari 2002 werd hij hersteld verklaard voor 20 uur per week, maar hervatte zijn werk niet. Op 29 maart 2002 vroeg appellant een WW-uitkering aan. Op 1 mei 2002 werd hij ontslagen met toestemming van het CWI. De WW-aanvraag per 1 april 2002 werd afgewezen omdat appellant niet beschikbaar zou zijn voor arbeid vanwege ziekte.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellant wel beschikbaar was voor passende arbeid, ondanks dat hij zijn eigen werk niet kon verrichten. De Raad stelt dat niet ondubbelzinnig is vastgesteld dat appellant door houding en gedrag duidelijk heeft gemaakt niet beschikbaar te zijn.
De Raad constateert dat het niet invullen van vragen op het aanvraagformulier niet aan appellant zelf kan worden toegerekend en dat dit geen bewijs vormt van niet-beschikbaarheid. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Tevens veroordeelt de Raad het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De WW-uitkering per 1 april 2002 wordt toegekend omdat appellant wel beschikbaar was voor passende arbeid.