ECLI:NL:CRVB:2005:AU6820
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door ongeoorloofde salarisverhoging
Appellant was sinds 1994 in dienst bij een werkgever en kreeg in 1999 een salarisverhoging van circa 4.500 gulden netto naar 12.000 gulden bruto per maand, die contant werd uitbetaald en geheim moest blijven voor collega’s. De directeur, tevens grootaandeelhouder en zwager van appellant, werd in 2000 geschorst en ontslagen wegens vermoedens van fraude. Appellant werd op non-actief gesteld en het salaris werd teruggebracht naar het oude niveau. Na een rechterlijke uitspraak betaalde appellant de onterecht genoten verhoging terug.
Appellant vroeg in november 2002 een WW-uitkering aan, die werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst ontbonden vanwege ernstige schending van loyaliteit en benadeling van de werkgever. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het aannemen van de ongeoorloofde salarisverhoging een voldoende grond was voor weigering van de uitkering.
In hoger beroep betwistte appellant dat hij verwijtbaar had gehandeld, verwijzend naar de bevoegdheid van de directeur en het ontbreken van kennis over diens frauduleuze handelen. De Raad oordeelde echter dat appellant had moeten beseffen dat de exorbitante verhoging zonder tegenprestatie de werkgever benadeelde, mede omdat de uitbetaling contant en geheim was. Dit leidde tot verwijtbare werkloosheid in de zin van de WW. Het terugbetalen van het bedrag en het terugdraaien van de verhoging deden hieraan niet af. De Raad bevestigde het bestreden besluit en zag geen reden voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid door het aannemen van een ongeoorloofde salarisverhoging.