ECLI:NL:CRVB:2005:AU6839
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden
Appellant was sinds 1 april 1999 in dienst als administratief medewerker bij Staal Bank N.V. en werd per 7 maart 2003 vrijgesteld van werkzaamheden. De arbeidsovereenkomst werd op verzoek van de werkgever ontbonden per 1 juli 2003 wegens een verstoring van de arbeidsverhouding. Appellant vroeg daarop een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd geweigerd wegens verwijtbaar werkloos worden, omdat appellant zich niet aan de gedragscode zou hebben gehouden en onvoldoende verweer zou hebben gevoerd tegen zijn non-actiefstelling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellant zijn functioneren onvoldoende verbeterde of dat hij passende arbeid heeft nagelaten te behouden door eigen toedoen. De overgelegde beoordelingen gaven geen aanleiding tot de conclusie dat appellant onvoldoende functioneerde. Ook was onduidelijk waarop het UWV het verwijt baseerde dat appellant zich niet zou hebben verzet tegen zijn non-actiefstelling.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.