ECLI:NL:CRVB:2005:AU6937
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- H.J. Simon
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheidspercentage zelfstandige directeur-grootaandeelhouder na bedrijfsverkoop en faillissement
Appellant, een zelfstandig varkenshouder en directeur-grootaandeelhouder van een besloten vennootschap, kreeg een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na de verkoop van zijn varkensbedrijf en het faillissement van een aanverwante vennootschap, stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) het maatmaninkomen vast op het wettelijk minimumloon, wat leidde tot een verlaging van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Appellant betwistte deze vaststelling en voerde aan dat zijn eerdere inkomsten van fl. 76.000 als maatmaninkomen moesten gelden. De Raad oordeelde echter dat deze inkomsten geen reële afspiegeling vormden van het inkomen van een soortgelijke persoon vanwege de faillissementsstatus van het bedrijf en het ontbreken van directe loonuitkeringen.
De medische en arbeidskundige rapportages waarop het besluit was gebaseerd, werden door de Raad als zorgvuldig en juist beoordeeld. De aanvullende medische stukken van appellant boden geen objectieve gronden voor een ander oordeel.
Het hoger beroep tegen de eerdere uitspraak werd niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond. De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond; het maatmaninkomen is terecht vastgesteld op het wettelijk minimumloon.