ECLI:NL:CRVB:2009:BK3088
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WAZ-uitkering wegens onjuiste maatmanarbeid
Betrokkene had een WAZ-uitkering aangevraagd, die door het UWV werd geweigerd omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en stelde de arbeidsongeschiktheid vast tussen 45 en 55%. Het UWV ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en voerde aan dat betrokkene feitelijk 20 uren per week werkte, maar dat voor de maatmanarbeid 40 uren moesten worden aangehouden. Tevens stelde het UWV dat het inkomen van betrokkene geen reële afspiegeling was van vergelijkbare personen en dat de uitkering niet met meer dan een jaar terugwerkende kracht toegekend mocht worden.
De Raad overwoog dat het uitgangspunt van het UWV onjuist was en dat de maatmanarbeid moet worden vastgesteld op 20 uren per week, omdat betrokkene vanwege de verzorging van zijn ernstig zieke echtgenote minder werkte. Het inkomen dat betrokkene zichzelf toekende, was niet representatief omdat het bedrijf jarenlang verlies leed. Daarom moet het maatmaninkomen worden gesteld op het wettelijk minimumloon voor een werkweek van 20 uren. De Raad vernietigde het besluit van het UWV en bepaalde dat een nieuw besluit moet worden genomen met inachtneming van deze overwegingen.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene voor zowel beroep als hoger beroep en bepaalde dat het griffierecht aan betrokkene wordt vergoed. Het hoger beroep van het UWV werd daarmee ongegrond verklaard en het eerdere besluit van de rechtbank bevestigd voor zover het werd aangevochten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en er wordt een nieuw besluit genomen waarbij de maatmanarbeid wordt vastgesteld op 20 uren per week en het maatmaninkomen op het minimumloon.