ECLI:NL:CRVB:2005:AU7318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens detentie en beoordeling overgangsrecht Wsg
Appellant ontving sinds 1990 een WAO-uitkering, berekend op 45-55% arbeidsongeschiktheid. Sinds januari 1998 is appellant gedetineerd. In mei 2000 trok het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de uitkering met ingang van juni 2000 in, op grond van artikel 43, vijfde lid, WAO, zoals gewijzigd door de Wet socialezekerheidsrechten gedetineerden (Wsg).
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat in juli 2001 werd gehandhaafd. Later werd dit besluit ingetrokken en vervangen door een nieuw besluit in juli 2005, waarbij de uitkering met ingang van november 2000 werd ingetrokken. Appellant stelde dat de Wsg ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen uitkeringsgerechtigden en dat de wet in strijd is met diverse internationale verdragen.
De Raad overwoog dat voorlopige hechtenis niet onder de uitzonderingen van de Wsg valt en dat de wetgever met de overgangstermijn van één maand niet voldoende rekening heeft gehouden met proportionaliteit en subsidiariteit zoals vereist onder artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond. De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het intrekkingsbesluit ongegrond verklaard.