ECLI:NL:CRVB:2005:AU7748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten kinderbijslag wegens onvoldoende onderhoudsbijdrage voor kind in Iran
Appellant vroeg kinderbijslag aan voor zijn zoon die sinds november 1999 niet meer in Nederland woonde maar in Iran verbleef. De Sociale verzekeringsbank weigerde kinderbijslag over meerdere kwartalen omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn zoon in belangrijke mate had onderhouden.
De rechtbanken verklaarden de beroepen van appellant ongegrond en handhaafden de besluiten. Appellant stelde in hoger beroep dat sprake was van een vaste systematiek van betalingen die mede voor de betwiste kwartalen bestemd waren.
De Raad oordeelde dat het kind sinds november 1999 niet meer tot het huishouden van appellant behoorde en dat appellant slechts over bepaalde kwartalen voldoende onderhoudsbijdragen had geleverd. De betalingen in de vierde kwartalen van 2000, 2001 en 2002 konden worden toegerekend aan volgende kwartalen, maar niet aan het eerste, tweede en derde kwartaal van 2000.
Daarom vernietigde de Raad de besluiten voor de aanspraak over het eerste, tweede en derde kwartaal van 2001 en 2002 en bepaalde dat de Sociale verzekeringsbank een nieuw besluit moet nemen. Ook de terugvordering van onverschuldigde kinderbijslag werd vernietigd. De Raad veroordeelde de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de besluiten over de kinderbijslag voor het eerste, tweede en derde kwartaal van 2001 en 2002 en beveelt een nieuw besluit.