ECLI:NL:CRVB:2005:AU7754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na zelf ontslag nemen
Appellant was tijdelijk in dienst als leraar met een werktijdfactor van 0,1538 fte, welke hij op eigen verzoek per 26 april 2002 beëindigde. Hij vroeg een WW-uitkering aan, maar deze werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos was geworden door zelf ontslag te nemen terwijl voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs van hem kon worden gevergd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat vanwege rooster, reistijd, reiskosten en medische redenen voortzetting van het dienstverband niet van hem kon worden gevergd en dat de opgelegde maatregel onevenredig zwaar was. Tevens stelde hij dat een lichtere maatregel wegens benadelingshandeling passend zou zijn.
De Raad overwoog dat de medische rapportage onvoldoende steun bood voor de stelling dat voortzetting onmogelijk was en dat appellant voorafgaand aan ontslag een andere deeltijdbaan had verworven. De Raad vond dat geen sprake was van omstandigheden die het verwijt weg konden nemen en bevestigde dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden. Ook de stelling dat een lichtere maatregel passend was, werd verworpen omdat de termijn tussen ontslag en het einde van het dienstverband meer dan drie maanden bedroeg.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en kende geen proceskostenvergoeding toe.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende volledige weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.