ECLI:NL:CRVB:2005:AU8296
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Blijvende gehele weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag
Gedaagde was werkzaam als dakdekker op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die liep tot 20 december 2002. Op 15 oktober 2002 werd hij op staande voet ontslagen wegens het zonder opgaaf van redenen niet verschijnen op het werk, wat door de werkgever werd aangemerkt als werkweigering. Gedaagde stelde zich ziek te hebben gemeld, maar kon dit niet aannemelijk maken tegenover de werkgever.
Na afloop van de arbeidsovereenkomst vroeg gedaagde een WW-uitkering aan met ingang van 13 februari 2003. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de uitkering blijvend geheel wegens verwijtbare werkloosheid en vorderde de verstrekte voorschotten terug. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid en het gedrag van gedaagde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het ontslag terecht was vanwege werkweigering en dat nader onderzoek naar de reden van afwezigheid niet noodzakelijk was. De Raad stelt vast dat gedaagde verwijtbaar werkloos is geworden omdat hij door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Tevens veroordeelt de Raad het Uwv tot vergoeding van proceskosten en betaalde griffierechten.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid en verstrekte voorschotten worden teruggevorderd.