ECLI:NL:CRVB:2005:AU8346
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid na overgang onderneming
Appellante was sinds 1996 in dienst bij een horecabedrijf dat per 1 november 2002 werd verpacht aan een nieuwe exploitant. Na sluiting van het café per 1 februari 2003 werd appellante de toegang tot haar werk ontzegd en vroeg zij een WW-uitkering aan. Deze werd geweigerd omdat zij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door niet te protesteren tegen het ontslag.
De Raad oordeelt dat er geen sprake is van ontslag, aangezien de dienstbetrekking niet is beëindigd door het feit dat er geen werk meer beschikbaar werd gesteld. De overgang van onderneming leidde tot het overgaan van rechten en verplichtingen, maar de sluiting van het café door de nieuwe pachter betekent niet automatisch het einde van de arbeidsovereenkomst.
Daarom is de grondslag voor de weigering van de WW-uitkering komen te vervallen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de bestreden uitspraak vernietigd en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt het instituut veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd.