ECLI:NL:CRVB:2005:AU8844
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding met terugwerkende kracht
De Sociale verzekeringsbank stelde de AOW-uitkering van gedaagde met ingang van 1 juli 1996 herzien wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met een derde, [betrokkene]. Gedaagde ontving een ouderdomspensioen volgens de norm voor ongehuwden, maar uit onderzoek bleek dat hij op hetzelfde adres als [betrokkene] stond ingeschreven en er sprake was van gezamenlijke huishouding.
De Raad beoordeelde of gedaagde en [betrokkene] vanaf 1 augustus 1996 een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij de criteria van de AOW uit die periode werden toegepast. Uit feiten zoals gezamenlijke boodschappen, hulp bij ziekte, gezamenlijke verzekering en het gebruik van de woning bleek dat aan het criterium van gezamenlijke huishouding werd voldaan.
De Raad oordeelde dat de herziening over de periode vóór 2 januari 1998 ten onrechte op latere wetgeving was gebaseerd, waardoor dat deel van de besluiten werd vernietigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde deel blijven echter in stand. De Raad veroordeelde appellant in de proceskosten van gedaagde.
De uitspraak bevestigt dat gedaagde vanaf 1 augustus 1996 geen recht had op het ongehuwdenpensioen en dat de Sociale verzekeringsbank verplicht was het pensioen te herzien volgens de norm voor samenwonenden. Dringende redenen om van herziening af te zien waren niet aanwezig.
Uitkomst: De herziening van de AOW-uitkering met ingang van 1 augustus 1996 wordt bevestigd en het beroep van gedaagde wordt gegrond verklaard.