ECLI:NL:CRVB:2005:AU8860
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1990 bijstand als alleenstaande ouder. Na een onderzoek van de sociale recherche op basis van informatie dat zij samenwoonde met haar partner, concludeerde het college dat zij vanaf 1996 tot 2000 een gezamenlijke huishouding voerde. Hierdoor had zij geen recht op bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder.
Het college herzag het recht op bijstand over 1996-1999 en trok het recht over 1999-2000 in. Tevens werd een bedrag van €27.607,15 teruggevorderd. Appellante voerde aan dat het onderzoek onvoldoende was, dat haar verklaring onder druk was afgelegd en dat het energieverbruik niet hoger was dan normaal. De Raad oordeelde dat de verklaring betrouwbaar was, het verbruik ruim boven normaal lag en de vermeende lekkage niet aannemelijk was.
De Raad stelde vast dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden door de gezamenlijke huishouding te verzwijgen. Hierdoor was de bijstand ten onrechte verleend. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.