ECLI:NL:CRVB:2005:AU9004
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- R.M. van Male
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens niet-woning op opgegeven adres
Appellante ontving sinds 1989 een bijstandsuitkering en stond geregistreerd op een bepaald adres. Na klachten van buurtbewoners startte de gemeente een onderzoek naar haar woonplaats. Uit het onderzoek bleek dat appellante niet daadwerkelijk woonde op het opgegeven adres, wat essentieel is voor het recht op bijstand. De gemeente beëindigde daarom haar uitkering per 1 juni 2002.
Appellante diende een nieuwe aanvraag in, die werd afgewezen omdat zij geen nieuwe feiten aanvoerde die haar recht op bijstand konden herstellen. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen de besluiten van de gemeente ongegrond. Appellante ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de gemeente geen beoordelingsvrijheid had en zelf een oordeel moest vormen over de feitelijke woonplaats. Het vonnis van de kantonrechter over de huurovereenkomst was niet doorslaggevend omdat het pas na het besluit was gewezen. Het onderzoek van de gemeente, waaronder onaangekondigde huisbezoeken en verklaringen van buurtbewoners, vormde een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellante niet op het opgegeven adres woonde.
De Raad bevestigde daarom de beëindiging van de bijstandsuitkering en de afwijzing van de nieuwe aanvraag. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellante wordt beëindigd wegens niet-woning op het opgegeven adres en de nieuwe aanvraag wordt afgewezen.