ECLI:NL:CRVB:2005:AV2483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens seizoenmatige arbeid bij medewerkers attractiepark
In deze zaak staat de vraag centraal of de werkzaamheden van twee medewerkers van een attractiepark als seizoenmatige arbeid kunnen worden aangemerkt, hetgeen gevolgen heeft voor hun recht op een WW-uitkering. De medewerkers werkten in 2003 bij het attractiepark en hun dienstverbanden eindigden op 26 oktober 2003. Zij vroegen WW-uitkeringen aan, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) weigerde deze op grond van het standpunt dat er geen sprake was van seizoenmatige arbeid.
De rechtbanken oordeelden echter dat het attractiepark gedurende de wintermaanden op klimatologische gronden volledig gesloten is, waardoor de arbeid wel degelijk seizoenmatig is. Het UWV stelde zich op het standpunt dat het beleid omtrent seizoenmatige arbeid te strikt werd geïnterpreteerd en dat alleen volledige sluiting zonder enige bedrijfsactiviteit als seizoenmatig kon worden beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbanken en stelt dat de sluiting van het attractiepark als een volledige sluiting moet worden gezien, omdat de hoofdactiviteit van het bedrijf, het bieden van vertier via attracties, dan niet plaatsvindt. Kleine werkzaamheden zoals onderhoud en administratie zijn onvoldoende om te spreken van doorlopende bedrijfsactiviteiten. De Raad verklaart het hoger beroep van het UWV niet-ontvankelijk en vernietigt het bestreden besluit, waarbij het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens worden proceskosten toegekend aan de medewerkers.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit vernietigd; het UWV dient een nieuw besluit te nemen.