ECLI:NL:CRVB:2006:AV0674
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- A.B.J. van der Ham
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Na een onderzoek door de sociale recherche bleek dat zij vanaf 1 oktober 1999 een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden aan de gemeente. Op basis hiervan werd de bijstand over die periode ingetrokken en teruggevorderd, inclusief een boete.
De Raad oordeelde dat hoewel appellanten ieder een eigen woning hadden, zij feitelijk samenwoonden op het adres van appellante 1. Dit werd onderbouwd met verklaringen van appellanten en getuigen. Tevens was er sprake van wederzijdse verzorging en financiële verstrengeling, zoals gezamenlijke boodschappen en zorg bij ziekte.
Appellanten konden hun eerdere verklaringen niet onderbouwen met objectieve gegevens en werden geacht deze juist te hebben afgelegd. De Raad concludeerde dat appellante 1 niet als alleenstaande ouder bijstandsontvanger kon worden beschouwd vanaf 1 oktober 1999 en dat de gemeente terecht de bijstand introk en terugvorderde. De boete werd niet afzonderlijk besproken omdat deze passend was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.