ECLI:NL:RBSGR:2007:BD0828
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen intrekking en terugvordering WWB-uitkering gegrond wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf
Eiser maakte bezwaar tegen de intrekking en terugvordering van zijn WWB-uitkering door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, omdat verweerder stelde dat eiser zijn hoofdverblijf had bij zijn ex-partner, mevrouw B., wat eiser betwistte. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat eiser vanaf 1 januari 2003 tot 1 mei 2004 zijn hoofdverblijf bij B. had. Wel was vastgesteld dat eiser vanaf mei 2004 tijdelijk bij B. verbleef vanwege afsluiting van gas en elektra in zijn eigen woning.
De rechtbank overwoog dat intrekking van bijstand terugwerkende kracht kan hebben, maar dat de beoordeling zich uitstrekt tot de datum van het primaire intrekkingsbesluit, 10 juni 2005. Voor de periode vóór 1 januari 2004 was de Algemene bijstandswet van toepassing, en daarna de WWB. De vraag of sprake was van gezamenlijke huishouding was bepalend voor het recht op bijstand.
De verklaringen van eiser, B. en buurtbewoners boden onvoldoende steun voor het standpunt van verweerder dat er sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf in de periode 1 januari 2003 tot 1 mei 2004. Daarom werd het besluit tot intrekking en terugvordering over die periode vernietigd. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering over de periode 1 januari 2003 tot 1 mei 2004 wordt vernietigd.