ECLI:NL:CRVB:2006:AV0675
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging IOAW-uitkering wegens verblijf buitenland langer dan toegestane periode
Appellante, geboren in 1938, ontving een IOAW-uitkering en verbleef met toestemming tijdelijk in Suriname. De uitkering werd beëindigd omdat zij langer dan de toegestane periode van 13 weken in het buitenland verbleef, zoals bepaald in artikel 6 van Pro de Ioaw en de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw.
De Raad overwoog dat het territorialiteitsbeginsel geldt en dat de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw analoog van toepassing is op Ioaw-gerechtigden. Appellante voerde aan dat deze regeling niet op haar situatie van toepassing was, maar dit werd verworpen.
De Raad bevestigde dat het verblijf van appellante in Suriname de toegestane periode overschreed en dat de beëindiging van de uitkering rechtmatig was. Ook de niet-ontvankelijkheid van bezwaren tegen eerdere besluiten werd bevestigd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de IOAW-uitkering wegens verblijf in het buitenland langer dan de toegestane 13 weken.