ECLI:NL:CRVB:2006:AV1063
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar gedaagde stelde na onderzoek vast dat zij met appellant een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden. Hierdoor werd ten onrechte bijstand verleend volgens de norm voor alleenstaande ouders. Gedaagde trok het recht op bijstand in en vorderde de kosten terug, ook mede van appellant.
Appellanten voerden aan dat zij niet samenwoonden en dat verklaringen onder druk waren afgelegd, maar de Raad oordeelde dat er voldoende bewijs was van gezamenlijke huishouding, waaronder verklaringen, getuigenverklaringen en observaties. Het gebruik van mogelijk onrechtmatig verkregen bewijs werd geaccepteerd omdat het niet onaanvaardbaar was.
De Raad bevestigde dat appellante haar inlichtingenplicht had geschonden en dat gedaagde terecht het recht op bijstand introk en de kosten terugvorderde. Ook de terugvordering van appellant was terecht. De beëindiging van de bijstand per 1 november 2002 werd eveneens bevestigd omdat appellanten toen nog een gezamenlijke huishouding voerden en over voldoende middelen beschikten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.