Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AV2187

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3984 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbAlgemene bijstandswet art. 69
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs inkomsten uit arbeid

Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet. Gedaagde trok het recht op bijstand over de periode van 15 februari 1999 tot en met 26 maart 1999 in, op basis van gegevens van de Belastingdienst en looninformatie van een schoonmaakbedrijf. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond.

In hoger beroep stelt appellant dat hij in de betreffende periode geen inkomsten uit arbeid heeft genoten. De Raad stelt vast dat gedaagde de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat appellant inkomsten uit arbeid heeft genoten. De gegevens van de Belastingdienst en het schoonmaakbedrijf stemmen niet geheel overeen en betreffen verschillende werkgevers, waardoor onvoldoende bewijs is geleverd.

De Raad oordeelt dat het besluit van 17 april 2003 een deugdelijke feitelijke grondslag mist en daarmee in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad vernietigt het besluit, verklaart het beroep gegrond en beveelt gedaagde een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten aan appellant toegewezen.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van inkomsten uit arbeid.

Uitspraak

04/3984 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.
Namens appellant heeft mr. H.D. Gelderloos, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juni 2004, reg.nr. 03/2284 ABW.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een vraag van de Raad beantwoord en nadere stukken aan de Raad gezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 10 januari 2006, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door
mr. Gelderloos, en waar gedaagde zich - met voorafgaand bericht - niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft van 12 maart 1998 tot en met 23 december 2000 en van 14 februari 2001 tot en met 30 november 2001 een uitkering ontvangen op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.
Naar aanleiding van ontvangen gegevens van de Belastingdienst heeft gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is looninformatie opgevraagd bij [naam bedrijf] te [vestigingsplaats]. Op grond van de resultaten van het onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van
19 november 2002, heeft gedaagde geconcludeerd dat appellant gedurende de periode van 15 februari 1999 tot en met
26 maart 1999 werkzaamheden heeft verricht voor schoonmaakbedrijf [naam BV] en daaruit inkomsten heeft genoten zonder daarvan aan gedaagde melding te hebben gemaakt. Gedaagde heeft hierin aanleiding gevonden om bij besluit van 19 november 2002 het recht op bijstand van appellant over de periode van 15 februari 1999 tot en met 26 maart 1999 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.455,31 van appellant terug te vorderen.
Bij besluit van 17 april 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 19 november 2002 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak, voorzover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 april 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voorzover het beroep tegen het besluit van 17 april 2003 ongegrond is verklaard. Hij stelt zich op het standpunt dat hij over de periode van 15 februari 1999 tot en met 26 maart 1999 geen inkomsten uit arbeid heeft genoten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt voorop dat het hier gaat om de intrekking van een eerder toegekend recht op bijstand, een voor appellant belastend besluit. Dit brengt met zich dat op gedaagde de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan. Toegespitst op het onderhavige geschil, is het derhalve aan gedaagde om aannemelijk te maken dat appellant ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten.
Gedaagde heeft zijn standpunt dat appellant ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten gebaseerd op gegevens van de Belastingdienst en bij [naam bedrijf] ingewonnen looninformatie. Met appellant en anders dan de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat daarmee niet is aangetoond dat appellant ten tijde hier van belang inkomsten uit arbeid heeft genoten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de gegevens van de Belastingdienst en de bij [naam bedrijf] ingewonnen looninformatie niet geheel met elkaar overeenstemmen. Zo hebben de gegevens van de Belastingdienst betrekking op [A. F.] die ten tijde hier van belang van werkgever [naam werkgever] loon zou hebben ontvangen, terwijl de door gedaagde bij [naam bedrijf] ingewonnen looninformatie betrekking heeft op [appellant] en schoonmaakbedrijf [naam BV]. De Raad neemt daarbij voorts in aanmerking dat de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat hij niet weet of werkgever [naam werkgever] dezelfde werkgever is als het schoonmaakbedrijf [naam BV]. Gelet hierop had het op de weg van gedaagde gelegen een nader onderzoek in te stellen.
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt de Raad tot de slotsom dat het besluit van 17 april 2003 een deugdelijke feitelijke grondslag ontbeert hetgeen in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 17 april 2003 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en gedaagde opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 17 april 2003;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
€ 133,-- vergoedt.
Aldus gewezen door mr. C. van Viegen als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2006
(get.) C. van Viegen.
(get.) R.C. Visser.