ECLI:NL:CRVB:2006:AV2187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs inkomsten uit arbeid
Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet. Gedaagde trok het recht op bijstand over de periode van 15 februari 1999 tot en met 26 maart 1999 in, op basis van gegevens van de Belastingdienst en looninformatie van een schoonmaakbedrijf. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep stelt appellant dat hij in de betreffende periode geen inkomsten uit arbeid heeft genoten. De Raad stelt vast dat gedaagde de bewijslast draagt om aannemelijk te maken dat appellant inkomsten uit arbeid heeft genoten. De gegevens van de Belastingdienst en het schoonmaakbedrijf stemmen niet geheel overeen en betreffen verschillende werkgevers, waardoor onvoldoende bewijs is geleverd.
De Raad oordeelt dat het besluit van 17 april 2003 een deugdelijke feitelijke grondslag mist en daarmee in strijd is met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De Raad vernietigt het besluit, verklaart het beroep gegrond en beveelt gedaagde een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten aan appellant toegewezen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van inkomsten uit arbeid.