ECLI:NL:CRVB:2006:AV2440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beëindiging WW-uitkering bij niet geheel beëindigde zelfstandige werkzaamheden
Appellant was werkzaam als applicatie-programmeur en kreeg wegens werkgebrek een WW-uitkering toegekend. Vanaf 26 april 2002 verrichtte hij zelfstandige werkzaamheden naast zijn WW-uitkering. De uitkering werd op 1 mei 2002 beëindigd voor 16 uur per week omdat appellant niet volledig was gestopt met zelfstandige activiteiten.
Appellant stelde dat artikel 8, vierde lid, van de WW van toepassing was en niet het tweede lid, omdat hij al vóór het WW-recht als zelfstandige werkte. De Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat het tweede lid ook op hem van toepassing is. Omdat appellant zijn zelfstandige werkzaamheden niet geheel had beëindigd binnen de gestelde termijn, was de beëindiging van de uitkering terecht.
Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer had bij beoordeling van eerdere besluiten en zijn grieven tegen het bestreden besluit ongegrond werden verklaard. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.