ECLI:NL:CRVB:2006:AV2579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving sinds 1981 bijstandsuitkering en vroeg in 2003 opnieuw bijstand aan. Naar aanleiding van tips en onderzoek door de afdeling Fraudebestrijding van de gemeente Utrecht werd vastgesteld dat zij huishoudelijke werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden. Appellante verklaarde onder meer op 7 augustus 2003 gedetailleerd over haar werkzaamheden en inkomsten, maar trok deze verklaring later in en stelde dat zij onder druk had verklaard en beperkte intellectuele vermogens had.
De rechtbank wees het beroep van appellante af, stellende dat haar verklaringen betrouwbaar waren en dat het intrekken daarvan weinig gewicht had. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, wijst het beroep af voor zover het gaat om de terugvordering van bijstand over de periode 1 juli 2001 tot 9 juni 2003, maar vernietigt het besluit tot beëindiging van de bijstand per 10 juni 2003 wegens onvoldoende motivering.
De Raad oordeelt dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat de gemeente Utrecht terecht de bijstand heeft herzien en teruggevorderd. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad beveelt dat de gemeente een nieuw besluit neemt over het bezwaar tegen de beëindiging van de bijstand en veroordeelt de gemeente tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Besluit tot beëindiging van bijstand per 10 juni 2003 wordt vernietigd; terugvordering van bijstand wegens niet gemelde inkomsten wordt bevestigd.