ECLI:NL:CRVB:2006:AV2742
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek bijzondere bijstand voor aflossing ziekenhuisrekening
Appellant verzocht bijzondere bijstand voor de kosten van het ziekenhuisverblijf van zijn echtgenote, die niet verzekerd was voor deze kosten. Het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage wees dit verzoek af omdat de echtgenote ten tijde van het ontstaan van de kosten geen geldige verblijfstitel had en omdat appellant en zijn echtgenote onvoldoende verantwoordelijkheid zouden hebben getoond voor het afsluiten van een ziektekostenverzekering.
De rechtbank vernietigde dit besluit wegens toepassing van een onjuist wetsartikel en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Appellant ging in hoger beroep tegen het oordeel dat de rechtsgevolgen in stand moesten blijven en stelde dat het College een nieuw besluit had moeten nemen.
De Raad stelt vast dat het verzoek om bijzondere bijstand betreft de aflossing van een schuldenlast en dat appellant en zijn echtgenote ten tijde van het ontstaan van de schuld beschikten over voldoende inkomen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Er is geen sprake van zeer dringende redenen die bijzondere bijstand rechtvaardigen. De financiële situatie van appellant en de onderneming bood geen grond voor bijstand. Daarom was het College niet bevoegd bijzondere bijstand te verlenen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand bevestigd.