ECLI:NL:CRVB:2006:AV3018
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Anw-uitkering wegens gezamenlijke huishouding na huwelijk
Appellante ontving een Anw-uitkering die per 1 juli 1996 was omgezet vanuit een AWW-pensioen. Na haar huwelijk op 11 september 2001 met [D. K.] besloot de Sociale verzekeringsbank de uitkering te beëindigen omdat zij getrouwd was. Later werd vastgesteld dat zij al vanaf 31 december 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met [D. K.], waarop de uitkering met terugwerkende kracht werd ingetrokken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad onderzocht of aan de criteria voor gezamenlijke huishouding was voldaan, namelijk het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning en het leveren van wederzijdse verzorging.
Uit verklaringen van appellante en [D. K.], ondersteund door sociaal rechercheonderzoek, bleek dat zij feitelijk samenwoonden ondanks verschillende inschrijvingen in de gemeentelijke basisadministratie. Ook was er sprake van financiële verstrengeling en verzorging. De Raad vond geen dringende redenen om van intrekking af te zien en bevestigde het besluit tot beëindiging van de Anw-uitkering. Een verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de Anw-uitkering per 31 december 1999 wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.