ECLI:NL:CRVB:2006:AV3021
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening Anw-uitkering en AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1994 een AWW-pensioen dat in 1996 werd omgezet in een Anw-uitkering. Vanaf mei 1995 zou appellant een gezamenlijke huishouding voeren met [betrokkene]. Na een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank een onderzoek, waarna zij de Anw-uitkering en het AOW-pensioen herzag op basis van gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelt dat appellant en [betrokkene] vanaf mei 1995 tot 22 mei 2001 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg droegen voor elkaar, waarmee aan de criteria voor gezamenlijke huishouding werd voldaan. De verklaring van appellant en getuigen ondersteunt dit. Vanaf 22 mei 2001 echter woonde appellant op een ander adres, en is onvoldoende bewijs dat hij sindsdien nog een gezamenlijke huishouding voerde.
De rechtbank had dit onvoldoende onderkend. Daarom vernietigt de Raad het besluit tot herziening van het AOW-pensioen vanaf die datum en beveelt een nieuw besluit. Tevens veroordeelt de Raad de Sociale verzekeringsbank tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van het AOW-pensioen vanaf 22 mei 2001 wordt vernietigd en een nieuw besluit wordt bevolen.