ECLI:NL:CRVB:2006:AV3024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening Anw-uitkering en AOW-pensioen bij gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een Anw-uitkering en AOW-pensioen. Gedaagde stelde dat zij vanaf mei 1995 een gezamenlijke huishouding voerde met [betrokkene], wat leidde tot herziening van haar uitkering en pensioen. De Raad bevestigt dat vanaf mei 1995 tot 22 mei 2001 sprake was van gezamenlijke huishouding, maar vanaf die datum niet meer, omdat [betrokkene] op een ander adres woonde en onvoldoende bewijs was voor wederzijdse verzorging.
De Raad weegt verklaringen van betrokkenen en getuigen, en concludeert dat de verklaring van [betrokkene] over zijn hoofdverblijf als postadres betrouwbaar is. De rechtbank had dit niet onderkend en verklaarde het beroep ongegrond. De Raad vernietigt daarom het besluit tot herziening van het AOW-pensioen vanaf 22 mei 2001 en draagt gedaagde op een nieuw besluit te nemen.
Verder veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De uitspraak benadrukt het belang van objectief bewijs voor het vaststellen van een gezamenlijke huishouding in het kader van sociale zekerheidsuitkeringen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot herziening van het AOW-pensioen vanaf 22 mei 2001 wordt vernietigd.