ECLI:NL:CRVB:2006:AV3026
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Anw-uitkering wegens gezamenlijke huishouding vóór huwelijk
Appellant ontving een Anw-uitkering die werd ingetrokken omdat hij volgens gedaagde vanaf 30 november 1999 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn partner, [M.]. Na onderzoek en verhoren concludeerde de Sociale verzekeringsbank dat appellant en [M.] feitelijk samenwoonden, ondanks dat zij op verschillende adressen stonden ingeschreven. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
De Raad overwoog dat het hebben van het hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse verzorging de criteria zijn voor een gezamenlijke huishouding in de zin van de Anw. De verklaringen van appellant en [M.] tegenover de sociale recherche waren doorslaggevend, ook al waren zij later teruggekomen op hun verklaringen. Er waren geen objectieve gegevens die het tegendeel bewezen. De Raad vond ook geen reden om af te wijken van de vaste jurisprudentie dat de eerste verklaring doorslaggevend is.
De Raad concludeerde dat appellant terecht vanaf 1 januari 2000 geen recht meer had op de Anw-uitkering. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken. De uitspraak van de rechtbank Arnhem werd daarmee bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de Anw-uitkering per 1 januari 2000 wordt bevestigd; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.