ECLI:NL:CRVB:2006:AV3115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving sinds 1998 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Tijdens een heronderzoek in 2002 bleek het water- en energieverbruik op haar opgegeven adres zeer laag, waarna een huisbezoek werd gebracht. Hierbij werd een andere persoon aangetroffen dan appellante, die verklaarde dat appellante en haar ex-partner van woning hadden geruild zonder dit te melden.
Appellante gaf pas op 22 november 2002 aan dat zij met haar kinderen feitelijk op een ander adres woonde. Gedaagde probeerde daarna meerdere keren een huisbezoek te brengen, maar trof appellante niet aan. Tijdens een gesprek in januari 2003 kwamen tegenstrijdige verklaringen naar voren over de woon- en leefsituatie, ondersteund door vondsten zoals herenkleding op het nieuwe adres en een laat ingediende aanvraag voor woningruil.
Op grond hiervan beëindigde gedaagde de bijstand met ingang van 1 januari 2003 en reviseerde de uitkering over de periode daarvoor, met terugvordering van € 15.765,36. Tevens werd een boete opgelegd, die later werd verlaagd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De Raad oordeelt dat de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand onduidelijk maakt en bevestigt de beëindiging en terugvordering, maar verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het boetebesluit. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellante wordt beëindigd en teruggevorderd wegens schending van de inlichtingenverplichting; het hoger beroep tegen de boete is niet-ontvankelijk verklaard.