ECLI:NL:CRVB:2006:AV7684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstandsuitkering aan vreemdeling zonder verblijfsvergunning niet in strijd met IVBPR
Appellante, een Kaapverdische zonder verblijfsvergunning, vroeg bijstand aan voor zichzelf en haar kinderen, waarvan drie de Nederlandse nationaliteit bezitten. Haar echtgenoot ontving eerder een WAO-uitkering, die werd ingetrokken wegens detentie. De gemeente verleende bijstand aan de Nederlandse kinderen, maar wees de aanvraag van appellante af op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Raad stelde vast dat appellante niet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander volgens de Abw en de Vreemdelingenwet 2000, en dat bijstandsverlening op grond van zeer dringende redenen niet mogelijk was.
De Raad oordeelde verder dat het feit dat haar kinderen bijstand ontvingen, geen gerechtvaardigd vertrouwen gaf dat ook zij recht had op bijstand. Ten slotte concludeerde de Raad dat de weigering niet in strijd was met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), mede gelet op eerdere jurisprudentie over de Koppelingswet en de toepasselijkheid daarvan op aanvragen na 1 juli 1998.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsuitkering aan appellante wegens het ontbreken van verblijfsrecht en geen strijd met artikel 26 IVBPR.