ECLI:NL:CRVB:2006:AV9521
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herstel kennelijke verschrijving in loonbetalingsverplichting WW-besluit
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin loonbetalingsverplichtingen van haar werkgever zijn overgenomen op grond van de Werkloosheidswet (WW). In het besluit van 4 februari 2004 werd abusievelijk een verkeerde periode genoemd voor de berekening van vakantiegeld over niet-genoten vakantiedagen.
Na bezwaar handhaafde het UWV het besluit en corrigeerde de periode, wat leidde tot vernietiging van het bestreden besluit door de rechtbank Rotterdam. De rechtbank oordeelde dat de periode correct was vastgesteld en dat ten onrechte vakantiedagen die bij een nieuwe werkgever waren opgebouwd, in mindering waren gebracht op de uitkering.
In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV niet ten nadele van haar mocht terugkomen op de oorspronkelijk genoemde periode in het besluit van 4 februari 2004, verwijzend naar artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad volgde echter het standpunt van het UWV en de rechtbank dat sprake was van een kennelijke verschrijving die hersteld mocht worden. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het herstel van de kennelijke verschrijving en wijst het hoger beroep af.