ECLI:NL:CRVB:2006:AX3237
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging referteperiode en maatmaninkomen bij WAZ-uitkering zelfstandige
Appellant, een zelfstandig loodgieter en installateur, meldde zich arbeidsongeschikt per 4 december 1998 en ontving een WAZ-uitkering vanaf 3 december 1999. Het UWV stelde het maatmaninkomen vast op basis van de fiscale winst over de jaren 1995 tot en met 1997, wat appellant betwistte vanwege gezondheidsproblemen en het overlijden van zijn echtgenote in 1996. Hij stelde dat een andere referteperiode (1992-1994) representatiever zou zijn en dat de arbeidsbeloning van zijn echtgenote ten onrechte in mindering was gebracht op de winst.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de gehanteerde referteperiode van drie jaren voorafgaand aan de arbeidsongeschiktheid, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en wees erop dat de winstcijfers over 1995-1997 een reële afspiegeling vormen van de verdiencapaciteit van appellant als gezonde zelfstandige. De medische verklaring en persoonlijke omstandigheden rechtvaardigen geen afwijking van de hoofdregel.
Verder oordeelde de Raad dat de fiscale keuze van appellant om de arbeidsbeloning van zijn echtgenote ten laste van de bedrijfswinst te brengen, niet zonder meer kan worden genegeerd. Ook het bezwaar tegen de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag werd niet in behandeling genomen omdat dit buiten het geding viel. De terugvordering van te veel betaalde uitkering over 2000 werd gehandhaafd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de besluiten van het UWV worden bevestigd.