ECLI:NL:CRVB:2020:1004
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering loongerelateerde WGA-uitkering wegens onvoldoende bewijs loon in natura
Appellant, voormalig algemeen directeur van een horecagelegenheid annex dansschool, werd na faillissement en ziekte gemeld voor een WIA-uitkering. Het UWV stelde het maatmaninkomen vast op basis van opgegeven loon, zonder loon in natura mee te rekenen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat de fiscale keuzes van appellant, waaronder het laag houden van het loon, niet konden worden genegeerd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij loon in natura had ontvangen dat niet was opgegeven, en dat dit bij de berekening van het maatmaninkomen betrokken moest worden. De Raad volgde het UWV en de rechtbank in het oordeel dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij recht had op dergelijke emolumenten. De door appellant overgelegde bewijsstukken boden geen duidelijkheid over de toerekening van kosten en uitgaven.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 april 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellant geen recht heeft op loon in natura bij de berekening van het maatmaninkomen.