ECLI:NL:CRVB:2006:AX6853
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- J.N.A. Bootsma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand op grond van de Abw en later de WWB als alleenstaande, terwijl hij in werkelijkheid een gezamenlijke huishouding voerde met zijn voormalige echtgenote. Het College stelde na een onderzoek vast dat appellant en zijn ex-echtgenote vanaf medio 1999 tot begin 2004 samenwoonden en zorg droegen voor elkaar, zonder dit te melden.
Op grond van artikel 3 van Pro de Abw en de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien personen hun hoofdverblijf delen en bijdragen aan de huishoudkosten. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellant, zijn ex-echtgenote en buurtbewoners voldoende bewijs leverden voor het bestaan van die gezamenlijke huishouding over de periode 21 september 1999 tot 28 februari 2001.
Het College was bevoegd het recht op bijstand te herzien en de te veel betaalde bijstand terug te vorderen op grond van de artikelen 54, 58 en 59 van de WWB. Tevens kon het College de kosten van bijstand aan de ex-echtgenote mede van appellant terugvorderen, omdat diens middelen in aanmerking genomen hadden moeten worden. De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.