ECLI:NL:CRVB:2006:AX9706
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening nabestaandenuitkering in verband met arbeidsongeschiktheidsuitkering
Appellante ontving vanaf december 1985 een weduwenpensioen dat in 1996 werd omgezet in een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) bracht vanaf 1998 de Witwenrente volledig in mindering op deze uitkering, wat leidde tot bezwaar en een daaropvolgend besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde.
Tijdens het hoger beroep werd een nieuw besluit (besluit 2) genomen waarin de nabestaandenuitkering werd herzien vanwege de toekenning van een WAO-uitkering aan appellante. De Raad oordeelde dat het hoger beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk was, omdat alle grieven in het kader van besluit 2 konden worden behandeld.
Appellante voerde diverse internationale verdragsbepalingen aan, waaronder het EVRM en het Europees Sociaal Handvest, maar deze werden door de Raad niet van toepassing geacht op het overgangsrecht van de ANW of niet rechtstreeks verbindend voor de nationale rechtsorde. Het beroep tegen besluit 2 werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond, waarmee de herziening van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd.