ECLI:NL:CRVB:2006:AX9934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos door alcoholgebruik tijdens werktijd
Appellant was als expeditiemedewerker werkzaam en werd op 27 april 2004 op staande voet ontslagen wegens het drinken van alcoholhoudende drank tijdens werktijd, in strijd met het huishoudelijk reglement. Hij voerde nietigheid van het ontslag aan en vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De kantonrechter ontbond later de arbeidsovereenkomst en baseerde zijn oordeel mede op getuigenverklaringen dat appellant tijdens werktijd bier had gedronken.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV ten onrechte afging op de kantonrechter en onvoldoende eigen onderzoek deed, en dat de getuigenverklaringen als partijgetuigen moesten worden beschouwd. Ook betwistte hij het feitelijk drinken van alcohol en stelde dat het ontslag op staande voet disproportioneel was.
De Raad stelde vast dat het UWV niet alle relevante getuigenverklaringen had opgevraagd en vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 Awb Pro. Desondanks oordeelde de Raad zelf dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, omdat uit de processen-verbaal bleek dat hij tijdens werktijd alcohol had genuttigd, wat gevaar opleverde gezien zijn heftruckwerk. Het algemeen bekende effect van alcohol op rijvaardigheid maakte dat appellant redelijkerwijs had moeten weten dat dit tot ontslag kon leiden.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en het besluit, verklaarde het beroep gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. Tevens veroordeelde hij het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit en de uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.