ECLI:NL:CRVB:2006:AY0143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering wegens verblijf in het buitenland anders dan vakantie en terugvordering
Appellant ontving vanaf 4 september 2001 een WW-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 12 december 2002 omdat appellant zich toen in Turkije bevond, anders dan wegens vakantie. Tevens werd de onverschuldigd betaalde uitkering van €8.030,50 teruggevorderd. Appellant stelde dat een deel van zijn verblijf in Turkije als vakantie moest worden aangemerkt, waardoor de beëindiging later had moeten ingaan. Hij voerde ook aan dat een derde de uitkering had geïncasseerd en dat terugvordering daarom onredelijk was.
De Raad oordeelt dat op grond van artikel 19 WW Pro geen recht op uitkering bestaat bij verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie. De Raad stelt vast dat appellant niet duidelijk heeft aangegeven dat hij vakantie genoot en dat hij dit ook niet vooraf aan het UWV heeft gemeld. De verklaring van familiebezoek volstaat niet als vakantieverklaring. Ook is onvoldoende objectief bewijs over de aard en duur van het verblijf overgelegd. De terugvordering is gerechtvaardigd op grond van artikel 36 WW Pro, ongeacht de stelling dat een derde de uitkering zou hebben geïncasseerd.
De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegewezen. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 7 juni 2006.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WW-uitkering per 12 december 2002 en wijst het beroep af.