ECLI:NL:CRVB:2006:AY0262
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Afwijzing langdurigheidstoeslag op grond van overschrijding bijstandsnorm in referteperiode
Betrokkene, geboren in 1956, ontving sinds 1998 een WAO-uitkering en vroeg in juni 2004 een langdurigheidstoeslag aan bij de gemeente Kerkrade. Deze aanvraag werd afgewezen omdat betrokkene in de voorafgaande 60 maanden een inkomen had dat hoger was dan de bijstandsnorm. De rechtbank Maastricht vernietigde dit besluit echter, omdat zij oordeelde dat de berekening van het inkomen onzorgvuldig was uitgevoerd, met name door onduidelijkheid over de omrekening van guldens naar euro's en de toepassing van het vakantietoeslagpercentage.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het netto-inkomen, inclusief vakantietoeslag, bepalend is voor de toetsing. Uit de stukken bleek dat betrokkene in de referteperiode inderdaad een inkomen had dat de bijstandsnorm overschreed, ook al was die overschrijding gering. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de afwijzing van de toeslag had vernietigd en dat het college de aanvraag terecht had afgewezen.
De Raad verduidelijkte dat de peildatum voor de referteperiode niet de datum van aanvraag hoeft te zijn, maar ook een eerdere datum kan zijn, zoals 1 januari 2004. Gezien de systematiek van de langdurigheidstoeslag is het van belang of betrokkene op de peildatum gedurende 60 maanden aan de voorwaarden voldeed. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De afwijzing van de langdurigheidstoeslag wordt bevestigd omdat betrokkene in de referteperiode een inkomen had dat hoger was dan de bijstandsnorm.