ECLI:NL:CRVB:2006:AY1700
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WIK-uitkering en vernietiging boete wegens schending inlichtingenverplichting gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een WIK-uitkering naar de norm voor een alleenstaande over de periode van 1 januari 2000 tot 1 juli 2001. Na de geboorte van zijn zoon op 19 januari 2001, die hij samen met betrokkene kreeg, ontstond een gezamenlijke huishouding. Appellant meldde dit niet tijdig aan het College, waardoor het recht op de uitkering werd ingetrokken.
Het College legde tevens een boete op wegens het niet reageren op een uitnodiging voor een gesprek. Appellant reageerde echter wel op het voornemen tot boete, maar het College beschouwde deze reactie ten onrechte als een bezwaar tegen de boete. Hierdoor werd het bezwaar niet ontvankelijk verklaard.
De Raad oordeelt dat het rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding op grond van de geboorte van een kind en het samenwonen niet in strijd is met het EVRM. De intrekking van de uitkering is daarom terecht. De boete wordt echter vernietigd omdat het College onterecht aannam dat appellant bezwaar had gemaakt. De Raad veroordeelt het College tot betaling van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Intrekking WIK-uitkering bevestigd, boete wegens schending inlichtingenverplichting vernietigd.